Menno Baars is bij het publiek bekend als kunstschilder en cardioloog. Hij begon, nadat hij geneeskunde had gestudeerd, vanuit het niets te schilderen en heeft geen kunstacademie bezocht. “De ironie is dat ik, vanaf de eerste dag van de opleiding tot cardioloog, diepgaand veranderde als persoon. Het was alsof ik opeens alles begreep, zag en in mij opzoog”, aldus Baars.

Baars rekent af met hedendaagse opvattingen over hoe moderne kunst behoort te zijn: conceptueel en vooral niet 'vanuit het hart met de handen in de verf'. Hij leerde zichzelf met een buitengewone snelheid en naïeve vasthoudendheid de ware schildertechniek aan. Zijn rebelse vastberadenheid om met volle overgave te schilderen weerspiegelt zich in zijn energieke vroege schilderijen met zware schildertoets vol textuur. De beeldtaal is echter lichtvoetig. Er ontstaan doeken met een haast kinderlijk aandoende figuratie in heldere kleuren en verf die in dikke slierten is opgebracht met heftige streken. Ogenschijnlijk 'kwast hij zo snel mogelijk zijn verfpot leeg', maar wie goed kijkt, herkent al het talent in de beginnende kunstenaar.


Sommige kunstenaars hebben alle geluk; ze rijpen en groeien. Zo ook Menno Baars. Hij ontwikkelt al snel een eigen en zeer herkenbare stijl. Een eigen scriftuur waarmee hij steeds geraffineerder om weet te gaan en die door de jaren heen evolueert naar complex en meerlagig werk waarin de wanorde steeds meer lijkt te regeren. Baars: “Ik heb altijd al een innerlijke drang gehad om steeds vooruit te gaan, te ontdekken en alles op alles in te zetten”.

Door de jaren heen is geprobeerd Baars te vangen in kunststromingen zoals Cobra, New-Expressionisme of het Portmodernisme, maar dit is een kunstenaar die op ieder moment van zijn leven ‘in wording’ is, die zichzelf steeds vernieuwt, verandert en aanpast.  De kunstliefhebber is de laatste jaren vooral deelgenoot van zijn schilderkunstig inzicht. De rauwe trefzekere penseelstreek is gebleven. Het felle contrastrijke kleurpalet en zo herkenbare manier waarop de verf is uitgestreken ook. Maar nu is de aandacht gericht op een verrassende vlakverdeling die doorkruist wordt door gewaagde lijnen in een vies en slordig patroon en een steeds opvallender anachronistisch jasje. Het vroegere werk komt zelfs wat gedateerd over, vergeleken met de ruimtelijkheid en verwarring die zijn nieuwe schilderijen uitstralen. Hoewel onverminderd geschilderd in het aanstekelijk enthousiasme dat hem zo kenmerkt, het lijkt nu dat het stoere schalkse verfsmijten met een soort van kleinburgerlijk  schilderen wordt verenigd; tegelijk schuldig en onschuldig willen zijn. Het lijkt niet helemaal in de haak te zijn in zijn composities. Baars zoekt naar beelden die zich los zingen van de werkelijkheid en de toeschouwer tast als het ware in het duister als het gaat om het waarom van het werk. Ook de hilarische lange titels, die hij zijn doeken steevast meegeeft, helpen niet echt.  De combinatie van ruwe rauwe expressie en truttige aspecten enerzijds en het gebrek aan context over wat er ten grondslag aan ligt anderzijds. Het werk weerspiegelt echter onverminderd zijn levenslust en zijn gevoel voor humor. En ondanks de humor is steeds het drama onverminderd aanwezig: in de maskerachtige koppen, de knallende kleuren en de grove expressieve toets. Captain Beefheart zei het al: “You got hot paint and you’re havin’ fun”.